Naar de inhoud
Taalvink Inloggen

Spaans A1 · met geluid

Spaanse werkwoorden vervoegen: ser, estar, tener, ir en hacer

Vijf onregelmatige en drie regelmatige werkwoorden, zes vormen, elk met geluid.

Tik op een vorm en zeg hem na.

ser zijn: wie of wat

ser vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

estar zijn: hoe en waar

estar vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

tener hebben

tener vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

ir gaan

ir vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

hacer doen, maken

hacer vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

-ar: trabajar werken

trabajar vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

-er: comer eten

comer vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes

-ir: vivir wonen

vivir vervoegen in de tegenwoordige tijd
WieVorm om te beluisteren
yo
tú
él / ella / usted
nosotros / nosotras
vosotros / vosotras
ellos / ellas / ustedes